SWEET SORROW

Written August … November 1994. Sweet Sorrow, Elfquest fan-fiction, is copyright 1994 Mikko Koivunalho.
This story is inspired by Elfquest (Elfquest Blood of ten chiefs novels). I am highly grateful to Wendy and Richard Pini, the creators of Elfquest.
Vertaald door Michiel Drenth, met dank aan Chris van Bijsterveldt.

"Een frisse lentemorgen kondigde zich aan in de rustige tijd van Vrijvoet's leiderschap. De borg van Halfheuvel, het thuis van de elfen, had net de deken van sneeuw en ijs van zich afgeschud. De smeltende sneeuw vloeide af naar een nabijgelegen riviertje, waarvan de oevers hier en daar nog bedekt waren met een laagje ijs. Ergens stroomopwaarts, op een stille plek onder de nog bladerloze bomen, zat de jonge Kleine Den op een omgevallen boomstam. Zijn voeten bungelden een armlengte boven het langzaam stromende water. Hier was het riviertje breder en dieper zodat er weinig stroming was. Kleine Den gebruikte zijn magie om een haarband te maken van enkele stukjes bot, wat droge takjes en bloemen en enkele mooie glinsterende stenen. Zijn magie was zijn speciale gave; hij kon kleine dingen zo aan elkaar vastmaken dat ze aan elkaar bleven plakken en ook zo bleven zitten. Met zijn magie kon hij prachtige kleine dingen maken van, bijvoorbeeld, overblijfselen van het maken van wapens of gereedschappen. Toen de haarband af was hield hij ze omhoog om ze goed te bekijken. De kantjes waren zorgvuldig gescherpt zodat de haarband gemakkelijk in dik haar geduwd kon worden; de bovenkant was versierd met vier glinsterende kiezels; de kracht van zijn magie hield alles stevig bij elkaar. Maar het was het harde werk waard geweest, het was het beste wat hij ooit had gemaakt. Hij was er dan ook zeer trots op. Alles zat op de juiste plaats, precies zoals hij het had gepland. Maar het moest ook wel heel goed zijn, want hij had de haarband speciaal gemaakt voor een zeker meisje. Hij haalde zich haar beeld voor de geest. Hij stelde zich voor hoe hij haar bruine haar zou kammen, misschien zelfs de haarband erin te schuiven. Hij genoot bij die gedachte.
Toen opeens, alsof hij spijt had van zijn dagdroom, sprong hij op en trok zijn kleren en laarzen uit. Zorgvuldig plaatste hij de haarband op het stapeltje kleren. Toen sprong hij in het ijskoude water. Het riviertje was hier net diep genoeg om te zwemmen. Zwemmen was één van Kleine Den's favoriete bezigheden. De meeste Wolfrijderwelpen leerden zwemmen als ze speelden in het ondiepe water. Het was fijn dat veel van zijn vrienden ook van zwemmen hielden, zodat er in de zomer vaak een tocht werd ondernomen naar een meer in de buurt. Het werd nog leuker als er tijdens het zwemmen gejaagd werd door de ouderen, zo hadden ze ook nog eens vers vlees en hoefden ze niet de meegenomen proviand te nuttigen. Het water was nog kouder dan hij had gedacht. Hij zwom enkel een paar baantjes en klom toen snel weer terug op de oever. Hij rende wild in het rond om zijn huid te drogen, zodat hij het door en door koud had toen hij weer ging zitten op de boomstam. Hij stelde zich voor hoe hij in haar armen gewarmd zou worden.
Net zo snel als hij in gedachten weggezonken was stond hij weer op, trok zijn kleren aan en liep terug naar Halfheuvel, voorzichtig het cadeau met zich meedragend. Hij zag de vertrouwde bedrijvigheid van iedere morgen toen hij bij de borg aankwam; enkele Wolfrijders haasten zich van hol tot hol om de welpen wakker te maken, zij probeerden overal tegelijk te zijn; anderen zaten lekker lui buiten met elkaar te praten, plannen makend voor de rest van de dag of waar zij zouden gaan jagen. Sommigen waren al begonnen met hun karweitjes. Kleine Den zag enkele elfen bezig met huiden gespreid op de grond of op stellages van hout. Anderen waren bezig met houtsnijden of maakten pijlen of pijlpunten. Vrijvoet stond in het midden van al deze bedrijvigheid, terwijl hij probeerde te praten met zijn zoon Slagtand. Tegelijkertijd probeerde Slagtand zijn uitrusting klaar te maken en brulde enkele Wolfrijders bij elkaar om mee op jacht te gaan.
De holen waren gegraven in de helling van de heuvel. Terwijl Kleine Den langs de eerste holen liep, hoorde hij uit enkele gesnurk en nog wat andere grommende geluiden, wat er duidelijk op wees dat iedereen wakker werd. Er waren tijden geweest in de geschiedenis van de stam dat de elfen voornamelijk 's nachts hadden geleefd, maar hier in Halfheuvel genoten de elfen van het daglicht. Hier hoefden ze ook niet bang te zijn voor de mensen, die hen in het verleden zo vaak gekweld hadden. Maar hun huidige leven verhinderde niet dat er af en toe toch nog een verfrissende nachtelijke jacht werd georganiseerd.
Kleine Den liep naar zijn eigen hol dat hij deelde met twee andere welpen. Een tijdje geleden waren ze nog met zijn vieren, maar een elf was verhuisd naar een ander hol. Zij was toen al vele seizoenswisselingen ouder dan hem en zijn twee vrienden.
Als de welpen volwassen genoeg bevonden werden kregen ze vaak een eigen hol. Kleine Den en zijn vrienden waren in hun hol getrokken nadat de laatste bewoner, een oude jager, gestorven was als gevolg van een ongeluk bij de jacht.
Stilletjes stapte hij van de warme zonneschijn in de koelheid en vochtigheid van het hol. Snel pasten zijn ogen zich aan aan het duister en hij liep verder, in de verwachting zijn vrienden nog steeds slapend tussen de vachten te vinden. 'Kegel, ben jij dat?', vroeg een verwachtingsvolle stem uit het donker. Dat verraste Kleine Den. Zij zat op een stoel, met de rug naar hem toe, terwijl ze de veters van haar kleren en schoenen vastbond. Kleine Den zou om willen keren; nu het tijd was om zijn cadeau te geven wist hij niet hoe hij dat moest doen. Hij deed enkele passen en zei zenuwachtig: 'Ik ben het, Kleine Den.' Ze draaide zich om en keek hem aan. Toen zei ze: 'Was je vroeg wakker vanochtend? Ben je wezen zwemmen?' Ze had zijn natte haar opgemerkt en lachte naar hem. Niet erg op zijn gemak antwoordde hij: 'Ja, ik ben even wezen zwemmen in het riviertje, maar eigenlijk was het te koud.' Hij keek naar haar elegante uiterlijk en verzamelde de moed om zijn cadeau te geven. 'Warmsteen, ik...ik heb iets voor je gemaakt.' Hij liet haar de haarband zien die hij zojuist had gemaakt. Ze nam het uit zijn hand en keek er bewonderend naar. Natuurlijk had ze al eerder de resultaten van zijn krachten gezien, maar nog nooit zo nauwkeurig bewerkt als deze. Ze liep langs hem heen naar de uitgang, waar het zonlicht een betere aanblik op de haarband bood. Hij volgde haar en ze draaide zich naar hem toe. 'Heb je dit voor mij gemaakt? Het is prachtig. Hier moet je erg je best op hebben gedaan,' Kleine Den keek naar zijn voeten en mompelde: 'Och, dat viel wel mee, ik had het zo klaar.' 'Maar het is wonderlijk! Heel erg bedankt.' Ze trok de leren veter uit haar haar en duwde de haarband op zijn plaats. Kleine Den's mond viel open. Hier, in het daglicht, zag ze er prachtig uit, verrukkelijk mooi, mooier dan hij ooit gedroomd had; haar haar golvend in de plotseling opstekende wind, haar rode wangen, haar kalme blauwe ogen en fijne handen bewegend door de lucht. Toen draaide ze zich weer naar hem toe. 'Kegel is aan Hoornvogel gaan vragen of we onze klusjes voor vandaag kunnen laten zitten en in plaats daarvan naar het Dalmeer te gaan. Het is zulk mooi weer. Wil je met ons mee? Ik denk dat het water daar warmer is.' Ze kende hem goed, ze kenden elkaar allemaal goed. Ze lachte naar hem en fluisterde in zijn oor: 'Eigenlijk gaan Kegel en ik stiekem op jacht. We willen zien of er al otters en bevers zijn. Wil je meekomen? Je kan bij het meertje blijven terwijl wij jagen.'
Het duurde altijd een tijdje voordat de jongeren toestemming kregen om zelf te gaan jagen. Natuurlijk kende Kleine Den enkele jongelingen, ouder dan hem wel, die zonder toestemming gingen. Ze overtraden opzettelijk die regel, die er juist was om hen te beschermen tegen de gevaren van een serieuze jacht op groot wild. De lijn tussen het welp-zijn en het volwassen zijn, was ook hier weer moeilijk te trekken. De meeste welpen die stiekem op jacht waren gegaan, deden geen moeite dat nog eens te doen zonder de toestemming van hun ouders. Na een keer hadden ze wel gezien dat er eigenlijk helemaal niet zoveel speciaals aan was. Als de ouderen toevallig van zo'n geheime jacht te horen kregen, kregen deze welpen vaak een standje of een preek; maar er waren ook volwassenen die probeerden het te begrijpen, omdat ze vroeger zelf ook zo waren geweest. Soms gingen die elfen de roekeloze welpen achterna om ze te beschermen, een ongeluk was snel gebeurd als de opgewonden elfen alleen waren.
Kleine Den was een keer meegegaan met zo'n groep. Later hoorde hij toevallig dat ook zij waren gevolgd door een volwassene en dat luchtte hem erg op. Hij was er zelfs over gaan praten met hun beschermer. Op die jacht had hij ook ontdekt dat hij eigenlijk niet zoveel om jagen gaf als hij had gedacht. Hij raakte niet zo opgewonden van het opjagen van zijn prooi met de geur van bloed in de neusgaten; niet dat hij het verafschuwde, het deed hem alleen niet zoveel als bij de meeste jonge Wolfrijders. Natuurlijk had hij graag met Kegel en Warmsteen meegewild, maar hij had ook nog wat werk te doen; hij zou dat als excuus kunnen gebruiken. Dus zei hij: 'Ik zou graag meegaan, maar ik heb Grijsvleugel beloofd om een hoop pijlen voor haar te maken en in ruil daarvoor zal zij voor mij het beste vlees uit de vangst van Slagtand en zijn groep jagers opzij leggen.' Hij wees naar de plek waar de jagers klaar waren met hun voorbereidingen en al aanstalten maakten om het bos in te gaan. Een andere groep jagers was ook al bijna klaar, alleen gingen zij op een jacht van enkele dagen.
Toen, ineens, verscheen Kegel achter Warmsteen. Hij sloeg zijn armen om haar heen en gaf haar een kusje op haar wang. 'Hoornvogel heeft ons toestemming gegeven. Niet dat we die persé nodig hadden. Zonder waren we ook wel gegaan hè?' Een brede grijns kwam op zijn gezicht en hij lachte; hij maakte altijd gekheid en vond alles grappig; dat was zijn manier. Kegel was nooit serieus, tenminste bij geen enkele gebeurtenis die zij in hun korte leven hadden meegemaakt. Toen vroeg hij Kleine Den: 'Heeft Warmsteen je verteld dat we naar het Dalmeer gaan? We nemen wel wapens mee voor de zekerheid.' Hij grijnsde nog breder dan eerst, voor zover dat tenminste mogelijk was. Kleine Den wilde juist antwoord geven toen Warmsteen Kegel bij de kin pakte en zijn gezicht naar haar toedraaide. 'Liefste, hij heeft al gezegd dat hij niet met ons mee kan.' 'Oh, sorry', zei Kegel vluchtig en verdween weer in het hol. Hij ging hun wapens pakken. Het speet hem echt dat Kleine Den niet mee ging, hoewel hij dat niet liet blijken. Hij had graag gehad dat hij mee was gegaan; zijn vriend was de laatste dagen vaak alleen en erg terughoudend geweest en zo kende hij hem helemaal niet. Kegel wist niet waarom, maar omdat het zijn beste vriend was, wilde hij graag weten wat er aan scheelde, zodat hij hem kon helpen. Hij dacht dat een dagje weg van die vervelende klusjes met hem en Warmsteen zijn vriend op zou vrolijken. Maar om een bepaalde reden had hij hun voorstel afgewezen. En dat snapte hij niet, want Kleine Den was niet iemand die zoveel pret zou laten schieten.
Snel pakte Kegel twee speren, zijn speer en die van Warmsteen, een boog en een volle pijlkoker. Hij snelde uit het hol en niet lang daarna was hij op weg met Warmsteen aan zijn zijde. Warmsteen riep nog naar Kleine Den: 'Verwacht ons niet terug voor zonsondergang!', en hij glimlachte en zwaaide naar zijn dierbare vrienden die zij aan zij, hand in hand wegliepen. Hij keek ze lang na, totdat ze verdwenen in het bos. Zelfs toen ze al niet meer te zien waren stond hij er nog, turend naar de bomen waarachter hij ze voor het laatst had gezien. Voor hem was het helemaal stil. Het vertrouwde geroezemoes van stemmen om hem heen ging aan hem voorbij, hij werd zelfs niet gehinderd als er nu en dan enkele Wolfrijders door zijn gezichtsveld liepen. 'Liefste', had ze gezegd! Het was dat woord dat hem het meeste pijn deed. Hij had het al zo vaak gehoord, maar waarom bedroefde het hem deze keer wel? Het was pas enkele dagen geleden dat hij een naam had gevonden voor zijn gevoelens. Daarvoor hadden zijn gedachten en gevoelens hem alleen maar in verwarring gebracht, maar nu wist hij wat het was, en dat maakte het alleen maar erger. Het was liefde. Hij hield gewoon van haar! Hij kende liefde van verhalen opgewekt door droombessen en van gesprekken tussen de ouderen; en nu herkende hij het in zichzelf. Hij hield van Warmsteen, zijn vriendin, waar hij altijd mee speelde. Hoe lang was dit al? Het tijdloze van het Lied van de Wolf kon hem dat antwoord niet geven. De elf in hem kon dat wel; tijdens de laatste witte kou had hij zichzelf voor het eerst betrapt toen hij intens naar haar zat te staren. En vanaf die tijd was het zo geweest. Hij had haar graag verteld wat hij voor haar voelde. En dan gevraagd of ze zijn liefdesgezel wilde zijn, want onder de Wolfrijders werden zulke dingen vrijelijk besproken. Hij had zelf een keer meegemaakt dat een jong meisje op een oudere elf was afgestapt en het gewoon had gevraagd. Niemand onder de Wolfrijders zou een ander iets weigeren, mits het gevraagde redelijk was en ze er zelf ook plezier aan beleefden. Maar Warmsteen had al iemand, Kegel, en Kegel was ook zijn vriend, zijn beste vriend zelfs. Hoe zou hij dit ooit aan hem kunnen uitleggen? Hoe kon hij zeggen dat hij haar aanraking nodig had, dat hij bij degene wilde zijn van wie hij ook hield, iemand van wie hij zelfs al had gehouden voordat hij het zelf wist.
Plotseling ontwaakte hij uit zijn mijmeringen en keek om zich heen. Had iemand hem daar zo onnatuurlijk zien staren? Zijn gedrag zou misschien zijn gevoelens verraden en dat beangstigde hem. Hij draaide zich om om de beloofde klusjes te gaan doen. Maar zijn gedrag bleef niet onopgemerkt door de ogen van diegenen die dit soort dingen zagen en wisten wat ze betekenden. Omdat dit niet de eerste keer was, veroorzaakte zijn staren wat gesprekken onder een paar Wolfrijders die bezig waren met hun werk; maar niets daarvan bereikte hem.
De volgende dag deelde Kleine Den het vlees dat hij gekregen had bij het avondmaal, met Kegel en Warmsteen. Hij had het graag allemaal aan haar gegeven, maar het was natuurlijk raar geweest als hij het speciaal aan haar had aangeboden.
Na het eten gaf hij haar altijd wat hij nog over had. En iedere keer nam ze het aangebodene aan, maar nooit merkte ze dat daar iets achter zat. Hij keek naar haar glimlachende mooie gezicht en hunkerde ernaar om haar aan te raken. Vaak deed hij dat ook; hij liet zijn vingers een paar keer door haar haar glijden of klopte haar op de schouder. Maar nooit zat hij lang naast haar of hield haar hand in de zijne. En nooit als hij met haar alleen was kon hij zichzelf er toe zetten om tegen haar te praten, om die simpele dingen te zeggen. Hij kon alleen maar kijken met de woorden op zijn lippen, maar nooit verder. Alleen een paar keer had hij zichzelf overgehaald om wat te fluisteren, en als ze dan vroeg wat hij had gezegd, omdat ze het niet goed had gehoord, ontkende hij iets gezegd te hebben. En toch zou het zo simpel zijn geweest, enkel een paar woorden: 'Zou je mijn liefdesgezel willen zijn?' Maar Kleine Den was bang, bang dat hij haar of Kegel zou kwetsen, bang dat ze nee zou zeggen, bang van alles.
Later werd het erger voor hem. Hij at niet veel en trok zich steeds vaker terug. Hij zag er altijd verdrietig uit en vaak, een slap excuus verzinnend, liet hij zijn vrienden in de steek. Soms, als Kegel en Warmsteen elkaar aan het liefkozen en kussen waren, kon hij niet slapen of naast hen blijven liggen. Nog nooit had het liefdesspel van zijn vrienden hem gehinderd; integendeel, soms deelde hij zelfs in hun plezier door te strelen of hen aan te raken. Maar nu ergerde hij zich als het donkere hol zich vulde met gegiechel en fluisterende woordjes. Hij sloop dan weg uit het bed wat ze deelden en verdween in de nacht om een stil plaatsje te vinden waar hij zich kon dompelen in zelfmedelijden en droomde dat hij hand in hand liep met Warmsteen.
Er ging een tijdje overheen voor Kegel bezorgd in plaats van nerveus werd. Hij probeerde zijn vriend te vragen wat er met hem aan de hand was, maar Kleine Den antwoordde hem nooit. Warmsteen probeerde het ook, maar faalde eveneens. Tot twee keer toe had ze hem meegenomen naar een stil plekje om rustig met hem te praten; maar hij schudde alleen maar nee en wendde zijn gezicht van haar af, bang dat zij de tranen zou zien die misschien uit zijn ogen zouden vallen. Maar omdat Kegel en Warmsteen zo dicht bij hem leefden en zo jong en onervaren waren, kregen ze niet door wat er met hem aan de hand was.

Lente werd zomer, de bomen kregen weer bladeren en de wereld werd weer groen. De dagen werden langer en warmer; tenminste, dat gold voor iedereen behalve Kleine Den. Voor hem was iedere dag donkerder dan de vorige. Op een dag kwam Kleine Den's moeder naar Kegel om met hem onder vier ogen te praten over haar welp. Voorzichtig gaf ze hints aan hem, omdat ze wist dat hij zelf de situatie niet doorzag. Toen hij doorkreeg hoe het zat, was hij eerst verward, toen geschokt. Hij vroeg het Kleine Den's moeder steeds weer opnieuw tot hij echt overtuigd was. Toen de oudere was weggegaan, dacht hij aan zichzelf en zijn geliefde en aan degene van wie hij ook zeer veel hield, maar waarvan hij nu niet wist hoe hij over hem moest denken.
Het was zijn opmerkelijke gevoel voor humor en zijn speciale gave om overal iets leuks in te zien dat hem redde van jaloezie, die misschien vele andere elfen in dezelfde situatie was overkomen. Daardoor zag hij de situatie heel anders; als hij verliefd kon worden op Warmsteen en over haar dacht als het mooiste meisje van de wereld, waarom zou iemand anders dat dan ook niet kunnen? Hij lachte bij die gedachte op een manier zoals alleen hij dat kon.
Later die nacht, toen hij samen met Warmsteen in bed lag en Kleine Den weer weg was, vertelde hij haar voorzichtig hoe het zat. 'Verliefd op mij? Maar waarom, in Timmorn's naam, heeft hij daar niets over gezegd?', riep Warmsteen uit. 'Al die tijd is hij bang geweest ons te kwetsen. En nu is hij teruggetrokken in zichzelf, omdat hij zichzelf ontzegd heeft wat hij eigenlijk heel graag wil. Uit eigen wil heeft hij ons beschermd, liefste.' Iets zeggen op een serieuze toon viel Kegel enigszins zwaar. Toen was het opeens stil in hun hol, totdat Kegel probeerde Warmsteen aan te raken. Abrupt vroeg ze: 'Nou, wat denk jij ervan?' Hij kon het niet laten iets leuks te zeggen; het zat waarschijnlijk in zijn bloed, zoals een stamlid eens had gezegd. 'Ik denk... dat je er vanuit hier gezien onweerstaanbaar uitziet.' Warmsteen sprong op en stond in een tel naast het bed. Haar wijsvinger priemde naar hem en ze riep: 'Kun je nou nooit eens serieus doen, kun je jezelf nou nooit in de hand houden?' Ze zag er furieus uit en draaide haar rug naar hem toe, alsof ze naar de uitgang wilde lopen. Kegel bloosde. Hij schaamde zich, hij had gedacht dat het wel grappig zou zijn en hen enigszins zou opluchten. 'Het spijt me, echt. Toe, kom terug in bed.' Ze was nog steeds boos, maar langzaam vormde zich een glimlach op haar gezicht. Ze kroop terug in bed en trok de pels weer over hen heen. Desondanks ging ze met haar rug naar hem toe liggen en mompelde: 'Nou, wat denk je van Kleine Den?' Hij concentreerde zich, zodat hij geen grappen zou maken; 'Hou je van hem? Als dat zo is, waarom zou je dan nee zeggen?' 'Maar hoe zit dat dan met jou? Hoe zou jij je voelen? Wij zijn geliefden, toch?' Hij dacht een tijdje na; 'Kleine Den voelt zich ellendig. Als jouw aanraking genoeg is om hem weer blij te maken, hoe zou ik dat kunnen verbieden. Zelfs als jullie 'liefdesgezellen zouden worden, welke reden zou ik moeten hebben om dat te voorkomen. Mijn sympathie en mededogen voor hem zijn net zo groot als die van jou. Hij is mijn vriend en ik hou heel veel van hem.' 'En als we echt liefdesgezellen worden? Heb je daar niets op te zeggen?' 'Liefste, is er enige reden waarom wij dan ook nog niet liefdesgezellen zouden kunnen zijn?' Ze draaide zich langzaam naar hem toe en glimlachte. Ze zendde: * *Op een of andere manier laat je het zo makkelijk lijken, zoals je dat altijd doet.** 'Het is De Weg', antwoordde hij. Wat nodig is, moet, als het mogelijk is, gegeven worden.' Hij zendde verder **Zul je dan aardig tegen hem zijn? En hem jouw liefde geven, zoals je die ook aan mij gegeven hebt?** **Ja, ik zal het doen, maar hij zal het me eerst moeten vragen. Ook dat is De Weg.** Nu was het Kegel's beurt om geschokt te zijn. 'Maar, maar... je weet dat je dat niet kunt doen! Anders had hij dat allang gedaan! Dat kun je toch niet eisen?' 'Het is De Weg', herhaalde ze, 'maar ik zal het hem gemakkelijk maken. Als het waar is, dat hij bang is om het te zeggen, die paar woorden, dan moeten we hem helpen zijn angst te overwinnen.' Hij dacht een tijdje na; het was zijn vriend, zijn beste vriend, waar ze over praatten. En Warmsteen, hoe wreed ze ook had geklonken, had de waarheid gesproken. Kleine Den had aansporing nodig, dus moesten ze die hem geven. Warmsteen, aan de andere kant, dacht aan haarzelf. Wat had ze beloofd te doen? Liefdesgezel zijn was anders. Of was dat niet zo heel anders? De woorden van Kegel klonken niet jaloers en daar was ze blij om, maar, op een of andere wijze had ze graag gewild dat hij wat meer bezittelijk had gereageerd. Ze twijfelde niet aan de oprechtheid van Kegel' s liefde voor haar, maar met wat er nu gezegd was, vroeg ze toch serieus, bijna instinctief 'Hou je van me?' Hij keek haar verbaasd aan en grijnsde. 'Hou ik van je? Met heel mijn hart, met heel mijn ziel hou ik van je. Mijn hele lichaam houdt van je.' Met die woorden trok ze hem naar zich toe, zodat hun neuzen elkaar raakten; ze kuste zijn wang en nestelde zich zachtjes tegen hem aan.
Kleine Den zat ondertussen op de rand van een klip. Hij keek neer op de bodem van de kloof en droomde ervan hoe hij en Warmsteen elkaar op een of andere manier zouden erkennen. Het had een tijdje enigszins mogelijk geleken. Maar hij was niet dom, alhoewel hij wanhopig en somber was, begreep hij dat zijn droom onmogelijk was. Hij zou willen dat hij het de gave had om prachtige gedichten te maken, om daarmee haar liefde te winnen. Meer van deze gedachten probeerden zich van hem meester te maken. Hij had er graag aan toe willen geven, maar hij wist dat ze vergeefs en absurd waren. Hij zou zo graag zijn gevoelens met iemand willen delen; hij wist dat dat zijn pijn zou verzachten en hem erg op zou luchten. Maar hij kon het aan niemand vertellen, niet aan zijn beste vrienden, zelfs niet aan zijn ouders. Dus keek hij naar beneden en dacht of er nog een reden was om zijn lijden nog langer te rekken. Het was geen erg lange val, maar in ieder geval lang genoeg om in een klap dood te zijn; als hij met zijn hoofd eerst viel tenminste. Maar de wolf in hem kon zulke gedachten niet verdragen; die leefde van dag tot dag, met de gedachte om te overleven. Zonder dat hij het had beseft, had hij de rand van de kloof verlaten. Hij kwam weer bij zinnen toen hij doelloos ergens rondliep. Hij ging liggen op de wortels van een esdoorn, met zijn gezicht op de grond. En hij treurde over zijn droevig lot, dat hij verliefd was geworden op Warmsteen. De borg was vol met prachtige meisjes, waarom was het nu juist bij haar gebeurd? Zijn tranen vermengden zich met de aarde en zijn gezicht en handen werden vuil. Hij viel in slaap op de grond, midden in een heldere en warme zomernacht.

Warmsteen en Kegel probeerden met hem te praten, maar draaiden een beetje om het echte onderwerp heen. Warmsteen probeerde wel voorzichtig wat hints te geven, maar daardoor voelde Kleine Den zich alleen maar ellendiger. Als Warmsteen naar hem toekwam en bij hem ging zitten, werd hij bang van haar. Hij was bang dat zijn handen of ogen hem misschien zouden verraden. Hij dacht dat hij Kegel zou kwetsen als hij haar aan zou raken of als hij Warmsteen hem liet aanraken, of zelfs als hij naar haar zou kijken. Dus rende hij weg, zichzelf vervloekend en spottend met zijn eigen gevoelens. Hij snikte alleen in het donker en de stilte, zichzelf wijsmakend dat hij gek zou worden als een eenzame wolf; dat hij zou worden als Tweespeer, de hoofdman die verbannen was door de stam vanwege zijn gekte (die hij eigenlijk heimelijk een beetje bewonderd had als er gehuild werd met de wolven of in de nachten dronken van droombessen, als er verhalen verteld werden over de standvastigheid en de wil van Tweespeer om de mensen te bestrijden die hen bedreigd hadden). Hij was steeds minder samen met zijn wolfvriend. Ze speelden en renden niet langer samen, oefenden niet meer voor de jacht of voor iets anders. Ergens kon de wolf voelen dat zijn vriend erg bezorgd was en probeerde hem op zijn manier te troosten. Maar met Kleine Den ging het alleen maar erger, dus de wolf trok zich terug, denkend dat er iets mis met hem was, dat zijn vriend misschien ziek was. Zelfs de zon scheen hem te honen als deze helder boven Halfheuvel stond, warmte en licht gevend aan Wolfrijders die zich graag luierend koesterden in de stralen.
De jacht was goed, dus niemand hoefde hard te werken. Het zou in alle opzichten een plezierige zomer moeten zijn. Velen merkten Kleine Den's bezorgdheid op en wisten ook waar die over ging. Ze probeerden hem te helpen, zijn moeder het meeste, niet wetend dat hun troostende woorden en handen het alleen maar erger maakten. Iedere keer schudde hij zijn hoofd en liep weg. En toch kon hij niet uit de buurt blijven van Warmsteen. Telkens als hij naar haar keek, haar geur rook, haar aanwezigheid voelde, was het alsof de hele wereld donker was, behalve het kleine stukje waar zij werd beschenen door de zon. Met hangend hoofd en schouders liep hij rond met maar één gedachte. En die gedachte brandde in hem als een verterend vuur. Desondanks maakte hij altijd zijn werk af en voldeed aan de orders van de ouderen. Slapen daargelaten, waren dat de enige momenten waarop hij wat helderder kon denken, omdat hij zich moest concentreren op zijn werk.
Het duurde niet lang voordat Warmsteen zich realiseerde dat ze eigenl;ijk heel gehecht was geraakt aan Kleine Den. Op een bepaalde manier beangstigde dat haar. Ze vond hem nogal knap en aantrekkeliJk, misschien zelfs zoveel als Kegel. Deze gedachte wilde ze uit haar geest verbannen, maar ze besefte dat ze dat eigenlijk niet kon. En waarom zou ze dat ook; was dat niet precies wat Kegel had gezegd. Desondanks kon ze niet zeker zijn van de gebeurtenissen die zouden volgen. Of hoe Kegel werkelijk zou reageren. Zou ze moeten kiezen? Deze gedachten hielden haar bezig, maar ook zij hield ze voor zichzelf.

De zomer vloeide over in de herfst. De tijd van bessen en paddestoelen kwam er aan. Langzaam veranderden de bomen de kleur van hun bladeren. Kleine Den begon Warmsteen en Kegel te bespioneren. Zonder dat ze het wisten bekeek en volgde hij hen. Hij wist niet meer wat hij deed en deed ook geen moeite daarover na te denken. Hij vertelde zichzelf alleen dat hij van haar hield alsof dat een algeheel excuus voor alles was. Hij was wat afgevallen en anderen zagen aan zijn gezicht dat hij gehuild had.
Maar toen op een dag zou alles zich in een tel veranderen. Op een middag volgde Kleine Den Warmsteen en Kegel het bos in. Terwijl ze daar doelloos ronddwaalden, wisten ze niet dat hun arme vriend hun voetspoor volgde en hun gadesloeg vanuit het struikgewas of gebladerte, zoals hij al meerdere malen had gedaan. Ze gingen zitten op een omgevallen boomstam en hielden elkaars handen vast. Kleine Den kon niet horen waarover ze praatten, maar hij zag wanneer ze elkaar omhelsden en kusten. Hij keek hoe Kegel in de armen van Warmsteen leunde en hoe ze hem liefkoosde en streelde; en hoe hij lachte en hetzelfde bij haar deed. Dit was te veel voor hem. Hij wende zijn blik af en droogde zijn tranen. Toen keek hij weer, omdat het net zo pijnlijk was niet te kijken als wel te kijken. Plots zag hij hoe een slang van achter hun boomstam omhoog kronkelde. De elf in hem kon niet snel genoeg reageren, maar de wolf handelde vlugger. Hij sprong overeind van achter de bosjes en rende schreeuwend naar Warmsteen en Kegel. Ze hadden nauwelijks tijd het gevaar te vermijden, ze zagen het zelfs pas toen hij de slang bij zijn staart van de grond af griste en het beest in dezelfde beweging de schaduw van het bos in wierp. De slang zou zo de val overleven en rustig weg kunnen kronkelen. Zij stond voor hem en zei: 'Je hebt ons gered.' Maar hij schudde zijn hoofd en wende zich af. De liefdesgezellen konden zijn schaamte voelen die uit zijn onaf gesloten ziel sijpelde. 'Ze zullen dadelijk wel vragen waarom ik hier was', dacht hij. 'Je hebt ons het leven gered', herhaalde ze; en ze pakte zijn handen en hield ze lichtjes vast. 'Het was niets', fluisterde hij; en trok zijn handen uit die van haar. 'Niets? Het was niets?', riep ze. Haar gezicht werd rood en ze deed een stap naar hem toe. Haar ogen stonden wijd open en waren ineens vervuld van vuur en kwaadheid. Ze stopte even alsof ze zichzelf wilde kalmeren. En toen vormde zich snel een idee in haar hoofd. Dit was een kans:...de kans, de enige kans om Kleine Den zijn zelfvertrouwen terug te laten winnen, om hem de kracht te geven te doen en te zeggen wat hij eigenlijk wilde.
Toen tierde ze weer. 'Niets', schreeuwde ze in zijn gezicht. Ze greep zijn kleren en trok hem naar haar toe. 'Betekent dat dat ik ook niets beteken voor jou? Antwoord!' Haar stem was hard. Ze keek snel achter zich om Kegel te zien, maar Kegel was er niet meer. Hij was verdwenen, haar alleen latend met Kleine Den; misschien was het beter zo, misschien had Kegel dat ook zo gedacht. Maar Kleine Den kon haar niet antwoorden. Hij keek naar de grond en snikte. Ze trok de haarband uit haar haar en dwong hem er naar te kijken. Kleine Den herkende zijn werk en Warmsteen bedankte stilletjes de Allerhoogsten dat ze hem vandaag droeg. 'Betekent dit iets voor jou?' 'Ik... ik...', maar hij kwam niet verder. Ze pakte zijn hand en deze keer was hij te slap om tegenstand te bieden. Ze trok hem naar de boomstam en ging daar samen met hem zitten. 'Je hebt dit voor mij gemaakt, weet je nog? Waarom deed je dat?' Kleine Den probeerde weg te kijken, maar Warmsteen dwong hem haar aan te kijken. Ze eiste een antwoord, maar weer, als zo vaak daarvoor, kon hij het gewoon niet zeggen. Ze keek naar de ongelukkige snikkende elf. Zoals hij er zo hulpeloos uitzag maakte dat haar echt boos. Ze pakte hem bij zijn schouders en keek opnieuw in zijn ogen. En weer riep ze: 'Waarom zeg je het niet? Zeg dat je mijn liefdesgezel wilt zijn. Waarom kun je dat gewoon niet zeggen?' Ook bij haar stonden nu tranen in de ogen. Hij keek haar verbijsterd aan. Ze wilde dat hij het vroeg? Maar hoe kon hij dat ooit doen. Hij keek haar aan door een waas van tranen en voelde haar medelijden: Ze. trok hem dichterbij en omarmde hem; zachtjes hield ze hem vast. Hij leek haar zo fragiel dat ze hem gemakkelijk kon breken. Het voelde goed voor hem en ook voor haar, alsof de woorden gestopt waren tussen de ene hartslag en de volgende, en alles voelde geweldig op dat moment. Ze aaide zijn haar en oren. En na een eindeloos moment fluisterdee zij in zijn linkeroor: 'Ik wil jouw liefdesgezel zijn, wil jij de mijne zijn?' Het was een bevestiging voor haar, veel meer dan voor hem; en iets dat zij nodig had, niet hij. Hij hief zijn hoofd en keek haar aan met grote ogen. Maar ze waren niet langer vervuld van pijn en verdriet. Hij glimlachte en droogde zijn tranen aan zijn mouwen antwoordde haar; niet door woorden te fluisteren, maar door gevoelens te zenden. Een stortvloed van vreugde overspoelde haar geest. Hij wilde haar zijn zielnaam vertellen, maar zachtjes plaatste ze haar vinger op zijn lippen en vertelde hem die voor zichzelf te houden, althans, voor nu. Het was zeker niet de eerste keer dat ze elkaar omhelsden, maar nu was het anders. Er was veel meer dan alleen maar vriendschap tussen hen. Ze lieten elkaar los en keken naar elkaar. Ze deelden elkaars angsten; de één was bang een vriend te verliezen, de ander was bang een liefdesgezel te verliezen. Samen probeerden ze naar Kegel te zenden, maar hij was buiten bereik. 'Ik... ik was bang om het je te vertellen ...om het aan je te vragen', stamelde hij; maar Warmsteen gebaarde dat hij niet verder hoefde te praten en fluisterde: 'Shh, ik begrijp het wel. Denk er niet meer aan. Alles is nu goed.' Zij vertelde ook aan hem hoe zij zich had gevoeld. Ze zaten tegen elkaar aan, hun handen ineen. En zo zouden ze voor altijd kunnen blijven zitten, dit voelde zo fijn; ze hielden van elkaar. Voordat ze opstonden, raapte Kleine Den de haarband op die was gevallen, hij maakte hem schoon en plaatste hem voorzichtig terug in het haar van Warmsteen. Ze liepen hand in hand terug naar Halfheuvel.
De ouderen waren bezig met de voorbereidingen voor de maaltijd. Ze waren blij toen ze Kleine Den en Warmsteen samen zagen. Het lekkerste vlees werd aan hen gegeven, maar ze hadden nauwelijks oog voor de andere elfen en hun omgeving. Sommige ouderen merkten ook op dat Kegel niet kwam en waren enigszins bezorgd.
Na het eten gingen ze weer weg. Warmsteen leidde haar nieuwe liefdesgezel door het bos naar de top van een helling, vanwaar ze uitkeken op de ondergaande zon. Kleine Den vroeg zich af of dit een plaats was waar zij en Kegel samen waren geweest, maar hij durfde het niet te vragen, bang dat hij de betovering zou verbreken die hen omringde tijdens het kijken naar de zonsondergang. Samen gingen ze op een bed van mos liggen. Warmsteen aaide zachtjes zijn wang en kuste hem. Hun lichamen werden één en de lucht was vervuld van fluisterende woordjes en geluidjes. Ineens verscheen er een donkere figuur vanuit de bosjes en kroop naar hen toe. Ze merkten hem niet op, totdat hij ze allebei omarmde. Hij kuste ze en hield ze vast. 'Kegel!', riepen ze beiden. 'Je verwacht toch zeker niet Vrijvoet, wel!' En er verscheen een brede grijns. Samen vielen ze op het mos met een vreugdevol gelach. Een vreselijke zomer werd een geweldige herfst. De twee manen rezen en schenen op de drie jonge elfen die samen hun liefde vierden. Ze beseften niet dat ze op dat moment ook hun verdere samenleven vierden.

…Einde

 

www.elfquest.be

all Elfquest characters, stories, logos, situations and their distinctive likenesses are copyright and trademark by WaRP Graphics - Worldwide